31-12-13

Band tussen economische ontwikkeling en democratie is geen vast gegeven

Een verschil in democratie is mogelijk meer te wijten aan geografie dan aan politieke theorie. Dat is de conclusie van een onderzoek van wetenschappers aan de Murdoch University in Australië. De onderzoekers merken daarbij op dat de traditionele theorieën over democratische ontwikkeling in de Aziatische regio duidelijk niet kunnen worden gestaafd. De grote politieke en economische ontwikkelingen in Zuidoost-Azië gedurende de voorbije periode zouden volgens de gevestigde theorieën een positieve band moeten tonen tussen groei en democratie, maar daarvan valt volgens de wetenschappers in praktijk weinig te merken.

“In een aantal van de rijkste staten van de Aziatische regio - zoals Brunei, Singapore of Maleisië - staat de democratie immers nog altijd bijzonder zwak,” merkt onderzoeksleider Benjamin Reilly, professor internationaal beleid aan de Murdoch University, op. “Anderzijds blijkt in een aantal armere Aziatische landen - zoals Indonesië, de Filipijnen of Timor-Leste, de democratie verdere vorderingen te hebben gemaakt. De traditionele theorieën rond economie en democratie blijken onvoldoende rekening gehouden te hebben met een aantal lokale factoren, zoals de rol van binnenlandse elites, staatsstructuren of financiële elementen.”

“Er kan in Azië een geografisch patroon in democratie worden vastgesteld,” voert professor Reilly aan. “Naarmate landen zich verder van het Chinese vasteland bevinden, blijkt democratie een grotere kans te krijgen. Dat moet wellicht worden toegeschreven aan de geschiedenis van de regio in de periode voor de Europese kolonisatie, waarin de buurlanden aan China in ruil voor handelsbetrekkingen geschenken dienden te sturen. Rechtstreekse buurlanden van China werden verplicht om elke drie jaar giften, meestal in de vorm van luxegoederen, te schenken. Van verder afgelegen landen werden daarentegen minder frequent donaties geëist.”

“De waarde van die goederen was echter minder belangrijk dan het symbool van onderwerping aan het Chinese keizerrijk dat door het systeem werd vertegenwoordigd,” merkt Benjamin Reilly op. “Het was voor China bijzonder belangrijk om zijn invloed in zijn achtertuin vast te houden. Dit systeem keerde terug onder het communistische bewind van Mao Zedong, toen bufferstaten zoals Cambodja, Laos en Vietnam op Chinese steun konden terugvallen. Het fenomeen kan ook worden herkend in de blijvende voorkeur van China voor partners met niet-democratische regimes, vooral wanneer die naties ook een quasi-communistisch model hanteren.”

Professor Reilly zegt daarbij dat alle maritieme staten in Zuidoost-Azië, op uitzondering van Brunei, democratische beginselen hanteren. “Landen zoals Indonesië en de Filipijnen hebben ook nooit enige verplichting gehad tegenover China,” merkt de onderzoeker op.

Lees Verder